Nomade.html

 
ca de en es fr it nl no pl pt ru ro fi sv tr vo


 

Nomaden in Tibet.

Nomaden (van het Oudgrieks οι νομαδες nomades: herdersvolken, degenen die kudden weiden onder meer Herodotus)[1] zijn mensen of bevolkingsgroepen die geen vaste woon- of verblijfplaats hebben en doorgaans mee met hun vee rondtrekken. Bij uitbreiding wordt de term toegepast op verschillende soorten leefwijzen:

  1. jagers-verzamelaars die tussen jachtgronden reizen
  2. pastorale nomaden in de eigenlijke betekenis van het woord, die met hun vee tussen weidegronden reizen. Dit zijn de nomaden in oorspronkelijke zin (νομη = (Grieks) weide, νομευειν = weiden, laten grazen, hoeden)
  3. nomaden die tussen klanten reizen met hun bijvoorbeeld huisraad, zoals sommige zigeuners, een latere ontwikkelingsvorm.

Voorbeelden van hedendaagse nomaden zijn Bedoeïenen, Roma, Sinti, Touareg, woonwagenbewoners en voor het grootste deel Masaï.

Inhoud

bewerk Zwervende jagers-verzamelaars

'Jagers-verzamelaars' is de voorafgaande vorm van levenswijze van zowel de nomaden in eigenlijke zin, als degenen die zich gingen vestigen. Zij zwerven per definitie ook rond, maar voeren traditioneel nog geen kudden met zich mee, aangezien eerst nog domesticering van dieren moest plaats vinden (zie 'Neolithische revolutie'). Historisch gezien is dit de oudste vorm van menselijk bestaan, die bij uitbreiding, en enigszins anachronistisch, ook wel eens als 'nomadisch' wordt bestempeld. Voorbeelden van dergelijke volkeren die vandaag nog leven zijn:

bewerk Pastorale nomaden

De Hunnen, later deels Avaren waren een nomadisch volk. De Indo-Europeanen, die zich in het Neolithicum langzaam gaan verplaatsen en rond de 20e eeuw v.Chr. opsplitsen in diverse richtingen, waren nomaden en vestigden zich als semi-nomaden. Ook de bijbelse Hebreeën behoorden hiertoe.

Bij semi-nomaden is er meer sprake van vaste verblijfplaatsen. Bijvoorbeeld bergbevolkingen die in de zomer in de koelere hogergelegen gebieden wonen, waar het vee kan grazen, en in de winter in de warmere dalen. Deze vorm van extensieve veeteelt wordt ook wel pastoralisme ("pastor" betekent "herder") genoemd.

De trekboeren in Zuid-Afrika, de oorspronkelijke Turken en Scythen waren pastorale nomaden, zoals de Saami (Lappen) nu.

bewerk Moderne nomaden

Sinti en woonwagenbewoners reizen tussen de verblijfplaatsen van hun klanten. In het Verenigd Koninkrijk, Ierland en de VS trekken de Irish Gypsies of Irish Travellers die shelta spreken. In Schotland heten Scottish Travellers ook wel ceardannan (Schots Gaelic voor de ambachtslieden) of 'Black Tinkers'). De Jenische worden wel witte zigeuners genoemd. Door Spanje reizen de mercheros die quinqui spreken.

bewerk Zie ook

bewerk Noten

  1. ^ enkelvoud ο νομας, νομαδος, kudden weidend en daarmee rondzwervend in Muller, F. en Thiel, J.H.: Beknopt Grieks-Nederlands woordenboek, Wolters, Groningen en Oosthoek's encyclopedie, 1951:"benaming voor herdersvolken, die geen vaste woonplaatsen hebben, maar mét de kudden, wier teelt hun hoofdmiddel van bestaan vormt, van de ene plaats naar de andere trekken. Ook voor rondtrekkende volken of groepen in het algemeen zoals de Zigeuners "
All Right Reserved © 2007, Designed by Stylish Blog.